Te fiets tussen rijstvelden en tempels

Te fiets tussen rijstvelden en tempels

Broeierig, warm en klam, overal water, slangenwijn, gefrituurde rat, de warmte van de mensen en een eeuwenoud tempelcomplex: een eindeloos indrukwekkende fietsreis van Djoser.

We noemen onze gids Seven. Een jonge kerel nog, 37 jaar. Hij is het derde kind van zijn familie. “Eigenlijk mochten mijn ouders van onze overheid maar twee kinderen krijgen”, vertelt hij op de eerste ochtend, terwijl we onze fietsen klaarmaken voor vertrek. “Omdat ze er drie hadden, kregen ze een boete. Zeventig kilo rijst afdragen. Toen hebben ze me de bijnaam Seven gegeven, vanwege de zeventig kilo.”

Het ritme van de rivier
We fietsen tien dagen door de Mekong-delta, een machtige,bruinrode rivier die ontspringt in China en door veel landen in Zuidoost-Azië stroomt. In de delta wordt ongeveer 95 procent van de rijstproductie van Vietnam geoogst, en 65 procent van de zeevruchten. Aan elke boom groeit rijp fruit: guave, mango, drakenfruit, jackfruit, bananen, sterappels en papaja. Seven laat me een doerian proeven, de befaamde stinkende vrucht. Lekker vind ik het niet, maar Seven werkt hem hurkend in een minuut slurpend naar binnen. In de Mekong-delta stroomt overal zoet water. De rivier treedt tijdens het regenseizoen regelmatig buiten zijn oevers en het water stroomt de rijstvelden binnen. De mensen leven op het ritme van de Mekong.

‘Scooterarmy’
We starten in metropool Ho Chi Minhstad, voorheen Saigon genoemd. Een broeierige, lawaaiige maar prachtige stad vol wijkjes met massagesalons en zwarte markten, waar je Dior-tassen koopt voor een tientje. Te druk om te fietsen is het hier, dus we verlaten Saigon na twee dagen per bus. Vanuit de bus wijst Seven naar de duizenden scooters, die in een lang lint ’s morgens naar de stad rijden. “Vietnam Scooterarmy!” juicht hij. De legerterm valt niet uit de lucht, oorlog is deze reis een thema waar we niet omheen kunnen. In het complex van Cu Chi bezoeken we in de jungle verscholen Vietcong-tunnels, nog smaller dan mijnschachten. De gedachte dat hier soldaten tegen elkaar vochten is hartverscheurend. Zuidelijker in Cambodja bezoeken we gevangenis S21 en de aangrijpende Killing Fields.

‘Elke reis moet anders zijn’
Terug naar Zuid-Vietnam, terug op de fiets! Damp hangt boven de rijstvelden, waarin werkers tot aan hun heupen verdwijnen met op hun hoofd de fraaie strooien nón lá; Vietnamese ronde hoeden. Jochies en meiden rennen in fleurige voetbalshirts door de smalle straten van de dorpen. Iets oudere kinderen in schooluniformen komen verlegen naast ons fietsen en vragen: “What is your name? Where are you from?” Op de fiets gaat het als volgt: Seven rijdt vooraan, kent de route uit zijn hoofd. Achteraan fietst Eight, een jonge kerel die de fietsen repareert. Daartussen rijdt de groep, met kranige reisbegeleider Jan, een ervaren reiziger. Seven belooft voor vertrek: “Elke reis moet anders zijn. Ik wil ontmoetingen hebben met mensen die ik ook nog niet ken.” De route fietst hij grotendeels uit zijn hoofd, soms improviseert hij erop los. Hij stopt bij huisjes waar vrouwen bananenbladeren vouwen of van hyacintenstengels manden vlechten. En bij een oude heer die zonder shirt met veel geweld kokosnoten splijt. Seven begroet al deze mensen alsof het oude vrienden zijn, maar hij ziet ze meestal ook pas voor het eerst. Binnen een minuut zitten ze met elkaar te lachen, ik kom er niet achter of dit iets zegt over de Vietnamese volksaard of over onze charismatische gids. De mensen vertellen Seven hoe ze zich staande houden in deze arme streek en zichzelf met weinig in leven houden. Toch zijn ze veelal goedlachs, en bijna iedereen die we ontmoeten, ziet er jonger uit dan ze daadwerkelijk zijn. Bij het afscheid worden briefjes geld uitgewisseld, niet vanwege de waarde, maar voor de herinnering. Als we met een groep tieners voetballen op een groot plein in een kleine stad, drukt een van de jongens bij het afscheid een biljet van 5.000 dong - een cent of 20 is dat - in de handen van David. Hij kijkt er toch even van op dat hij geld krijgt. Seven vertelt ons: “Dat jongetje geeft je dat als een herinnering aan dat moment samen.”

Slangenwijn en olifantsoorvis
De Mekong-delta is vlak, met nauwelijks hoogtemeters om te overbruggen. In de hele streek liggen in de velden familiegraven, vaak witte grote stenen. In de dorpen die we onderweg tegenkomen, kijken ze op van de lange stoet fietsers. Schoolkinderen zwaaien, de mannen die uitrusten van het kokosnoten plukken, glimlachen naar ons; hun lange kapmessen blinkend voor hen op tafel. Tafels die verder meestal vol liggen met vers fruit. Vietnamezen eten de hele tijd fruit. In kooien in voortuinen van sommige huizen zitten vechthanen met glanzende veren en opgekalefaterde kammen. Clandestien worden er hier hanengevechten georganiseerd. In een bijna vergeten dorp treffen we een markt aan waar alles te vinden is, zoals rijstwijn met een dode slang erin en slangenwijn. Vrouwen pellen garnalen en ontgraten grote vissen. Meerval en aal herken ik, een olifantsoorvis. Piepkleine visjes liggen gerookt klaar, krabben en kreeften, een waterslang, eieren in alle soorten en maten. Geregeld staan we met de fiets aan de hand op een pontje. Ronkende scooters om ons heen.

Voor even vormen wij een verbond op het open water - we staan allemaal stil en kijken naar elkaar, glimlachen. Kinderen komen high fives geven. Een meisje deelt verse
lychee uit de laadbak van haar vaders tuktuk uit. Schepen varen ons voorbij, van sommige snap ik niet dat ze blijven drijven. Kranen aan de horizon markeren havens. In onze groep telt een man bruggen die we nemen. Hij komt tot 48 op een dag. In een kantoortje laat de jongste zoon van een Chinees-Vietnamese familie me diezelfde dag oorkondes zien met bruggen erop, die door familieleden zijn bekostigd. Och, de trots in zijn ogen! Zijn familie bezit twee benzinestations. “We kopen kisten voor de mensen die overlijden en zelf geen kist kunnen betalen”, zegt de man.

Gefrituurde rat op tijgereiland
Op Ong Ho, bijgenaamd het Tijgereiland omdat er vroeger tijgers leefden, overnachten we in een homestay bij een lokaal gezin thuis. We lijken hier de enige toeristen. Vissers wandelen bij zonsondergang rond in een drijvende kwekerij, loopplanken die diep doorbuigen verbinden de drijvende huisjes. We logeren bij religieuze mensen, ik slaap in de gebedsruimte. Deze mensen hangen een moderne variant op het boeddhisme aan: het hoahoïsme. Wang legt me uit dat hij mensen wil helpen. Tegenover zijn huis heeft hij een houtbewerkingsbedrijf, waar hij meubels maakt die hij gratis weggeeft aan minder bedeelden. Ook deelt hij elke maand rijst uit aan arme gezinnen. “Het is onderdeel van mijn geloof om mensen te helpen”, vertelt hij. ’s Avonds nodigt Seven ons uit voor een speciaal diner in een huisje van golfplaten achter de houtzagerij. We zitten op de vloer in de kleine woonkamer en wagen ons aan gefrituurde rat. De jongste zoon speelt een videospel op het grote bed. We zijn uitgenodigd door een neef van de familie, en proosten veelvuldig met huisgemaakte rijstwijn. De rat dopen we met onze handen in gepeperde sojasaus.

Een andere homestay op het prachtige eiland An Binh wordt uitgebaat door twee broers van over de zestig. Mister Trong en Mister Truong. Een kikker zit vast in het toilet op mijn kamer, in het riet rondom zitten krekels. De patio hangt vol hangmatten en leunstoelen, vers fruit ligt op tafel, biertjes en cola in de koelkast. De broers wensen ons bij het afscheid een goede reis, een handdruk waarbij ze beide handen gebruiken. Warmte voel ik alweer, ik voel de hele tijd de warmte van de Vietnamezen die ik onderweg ontmoet.

Monniken met manden
Waterlelies drijven in de vijver voor de Âng-pagode. Een monnik in oranje gewaad vertelt over zijn leven. “Elke dag is een goede dag”, zegt hij. “Elke dag is een dag waarop ik kan helpen.” De monniken hebben min of meer allemaal dezelfde routine: ze bidden en mediteren veel, en trekken er aan het einde van de ochtend op uit om eten op te halen in de dorpen. Dorpelingen stoppen graag wat in de manden van de monniken, die op deze manier in hun levensonderhoud voorzien. De mand waarin ze de spullen ontvangen, dragen ze onder hun gewaad. Onderweg komen we veel pagodes tegen, riant versierd met bladgoud, de monniken passeren ons en inderdaad zie ik de manden onder hun opbollende gewaden. We bevinden ons vlakbij een enorme pagode en de weg is afgezet. Muziek klinkt in de verte. Een stoet mensen komt voorbij, dansend en hossend, ze dragen maskers en kostuums. Demonen met kleurrijke maskers en reuzen lopen mee en mensen in drakenkostuums. Geschenken worden de pagode binnengedragen. Als dank voor de oogst van het afgelopen jaar. Eten, sneakers en tandpasta herken ik tussen de vele cadeaus voor de monniken. Een man sleept een stapel matrassen op zijn rug mee de pagode binnen.

Angkor Wat
Cambodja barst van de kleur, van de pagodes, van de fantastische mensen die minder lachen dan de Vietnamezen, maar net zo aardig blijken te zijn als het tot een gesprekje komt. Hoofdstad Phnom Penh is een wereldstad, waar je vanaf dakterrassen uit kunt kijken over de moderne stad en haar tientallen wolkenkrabbers. Noordelijker, op zo’n driehonderd kilometer van de hoofdstad, ligt het illustere Angkor Wat; het grootste religieuze monument ter wereld. De tempels zijn gebouwd door gelovigen, die met hun harde werk een plek in de hemel meenden veilig te stellen. Een hele dag fietsen we door de jungle van tempel naar tempel. Over zanderige paden, waarop je soms je hoofd moet intrekken voor een laaghangende tak. De tempels zijn nog indrukwekkender dan ik me vooraf heb voorgesteld, veel van de grote stenen hebben duizelingwekkend inscripties. Jonge monniken knikken ons onderweg toe, apen slingeren nieuwsgierig rond in de bomen terwijl ze op kauwgum kauwen.

De Bayontempel uit 1181 vind ik het mooist, een tempel zo groot als een kathedraal, vleermuizen fladderen rondom. Tegen zonsondergang melden we ons bij de bekendste tempel - Angkor Wat - dreigende lucht boven ons. Een daverende onweersbui barst uiteindelijk los, de apen vluchten krijsend de bomen in, de monniken regenen net als wij nat; in het voorbijgaan pakt een monnik mijn arm vast en knijpt er zachtjes, liefdevol in. De wegen staan blank als we ons in een tuktuk op hoge snelheid terug laten rijden naar de broeierige stad Siem Reap.

Wil je Vietnam & Cambodja zelf te fiets ontdekken? Bekijk dan onze 18-daagse reis